Introductie wetenschapsfilosofie

Inleiding bij het Filosofisch Café Arnhem, januari 2016 over ‘Wat is waar?’

Voorwoord

Onderstaande tekst staat in het teken van de wetenschapsfilosofie. Een inleiding wel te verstaan. Omdat we in het FCA vaak de praktische kant van de filosofie bespreken/onderzoeken vonden we het tijd om ook de theoretische kant een keer te behandelen. Er worden drie wetenschapsfilosofen besproken.

Popper

Karl Raimund Popper (Wenen, 28 juli1902 – Londen, 17 september 1994) was een Oostenrijks-Britse filosoof die algemeen wordt beschouwd als een van de grootste wetenschapsfilosofen van de 20e eeuw. In 1965 werd Karl Popper door de koningin van Engeland geridderd tot ‘Sir’ Karl Popper.

Poppers bekendste werk is zijn boek: ‘The Logic of Scientific Discovery’, gepubliceerd in het Duits in 1935 en in het Engels in 1959. Een snellere manier om Poppers werk te leren kennen is via zijn paper ‘Science: Conjectures and Refutations’ (1963).

Hij is het bekendst geworden door zijn weerlegging van het klassieke model van wetenschap als een proces van observatie en inductie. Nu zullen een aantal van jullie denken: inductie? Dat is toch om op te koken? Ja, maar in de filosofie…

Inductie met inductie wordt, zowel in de huidige filosofische als in de wetenschappelijke betekenis, een manier van redeneren bedoeld, die dient als bewijstechniek. Bij inductief redeneren komt men tot een algemene regel, generalisatie geheten, op grond van een aantal specifieke waarnemingen.

Voorbeeld:

Om het te verduidelijken: stel dat een wetenschapper op basis van een groot aantal specifieke waarnemingen heeft geconstateerd dat iedere zwaan wit is. Dan is de conclusive al gauw: Alle zwanen zijn wit. Dit is het principe van inductie. Maar ja, nu is er een wetenschapper in een ander land die een zwarte zwaan heeft waargenomen. Daarmee is de hypothese ‘alle zwanen zijn wit’ dan weerlegd.

Dus: hoeveel gevallen we ook hebben van een A met eigenschap B, de conclusie dat alle A’s eigenschap B hebben is niet gerechtvaardigd. Generalisaties zijn geen conclusies die uit bewijzen zijn getrokken, maar hebben volgens Popper de logische status van vermoedens. Het zijn voorlopige hypothesen die als het ware terecht staan voor ‘de rechtbank van de ervaring’.

In het verlengde van het inuctieprobleem is Poppers tweede grote invloed op de wetenschapsfilosofie: het probleem van het onderscheid tussen wetenschap en non-wetenschap. Popper noemde dit het demarcatieprobleem. Om dit probleem op te lossen introduceerde hij het begrip ‘falsificatie’ en het daarvan afgeleide criterium ‘falsifieerbaarheid’.

Falsificatie: weerlegging van een theorie op basis van een tegenvoorbeeld.

Falsifieerbaarheid: criterium om wetenschap van non-wetenschap te scheiden.

Popper: Een hypothese mag uitsluitend (dan en alleen dan) wetenschappelijk genoemd worden als deze de potentie heeft om weerlegd te worden door observatie. De hypothese moet dus risicovol zijn. Freudiaanse psychologie, marxistische kijk op de samenleving en geschiedenis, enz. worden door Popper geclassificeerd als pseudowetenschap. Deze theorieen nemen geen risico. Dergelijke theorieen lijken immuun voor empirische falsificatie omdat elke ervaring verklaard kan worden met een passende interpretatie van de doctrine.

Empirisme: kennis vanuit de ervaring.

Het is dus nooit mogelijk om een theorie te bevestigen door confirmatie van een observatie. Confirmatie is een mythe. Het enige wat empirisch onderzoek kan doen is het ontkrachten van de theorie. De juistheid van een wetenschappelijke theorie kan dus nooit gesteund worden door empirische data. Ook niet een klein beetje. Ook niet als de theorie een groot aantal voorspellingen doet, die allemaal worden bevestigd. Hier neemt Popper een fallibilistisch standpunt in.

Fallibilisme houdt in dat er geen afdoende rechtvaardiging en rationele zekerheid is voor het aannemen van welke vorm van kennis dan ook. Met andere woorden: elke bewering in een theorie/these die vandaag gerechtvaardigd is, kan eventueel worden herzien of teruggetrokken door het bovenkomen van nieuwe bewijzen, nieuwe argumenten of nieuwe ervaringen.

Een goede wetenschapper zou een tentatieve houding moeten hebben jegens alle theorieën, inclusief zijn eigen theorie.

Popper is hier overgestapt van het beschrijven van eigenschappen van wetenschappelijke theorieën naar het beschrijven van eigenschappen van gedragingen van de wetenschappers zelf. Hier wijkt Popper af van zijn eerste doel: het beschrijven van de wetenschappelijke theorieën.

Popper accepteerde dat we niet zeker kunnen zijn van observatierapporten, die gebruikt worden om een theorie te falsificeren. We moeten de acceptatie van een observatierapport zien als een vrije keuze/interpretatie. Wanneer er een keuze/interpretatie gemaakt is, dan kunnen we het observatierapport gebruiken om elke theorie te falsificeren die in conflict is met het observatierapport. Maar voor Popper geldt dat elk falsificatieproces is gebaseerd op een keuze/interpretatie die op elk moment ook weer uitgedaagd kan worden. Er zou een wetenschapper kunnen zijn, die door middel van meer onderzoek/testen tot een conclusie komt dat het observatierapport onjuist/misleidend is.

Dit brengt ons bij Poppers theorie van de wetenschappelijke verandering. Popper beschrijft twee fases:

fase 1: Conjectuur (de formatie of expressie van een mening of theorie zonder voldoende bewijs voor bevestiging). Een wetenschapper oppert een hypothese die een beschrijving en verklaring geeft van een deel van de wereld. Een goede conjectuur is een stoutmoedige, neemt veel risico.

fase 2: Getrachte weerlegging. De hypothese ondergaat kritische testen om aan te tonen dat de hypothese onjuist is. Wanneer de hypothese weerlegd is, is fase 1 weer van toepassing.

Hij meende ook dat wetenschappelijke theorieën, en in het algemeen alle menselijke kennis, onvermijdelijk uitsluitend hypothetisch zijn en worden gegenereerd door de creatieve verbeelding om problemen op te lossen die in een bepaalde historisch-culturele context zijn gerezen. Geen enkel aantal positieve waarnemingen om een theorie te testen, kan deze logisch gezien bewijzen. Slechts een enkel tegenvoorbeeld waarvoor de theorie niet opgaat, is logisch beslissend: het toont aan dat de theorie waarvan de implicatie wordt getoetst niet juist is. Poppers weergave van deze logische asymmetrie tussen verificatie en falsificatie is een van de kernpunten van de wetenschapsfilosofie.

Kritiek en voorbeelden

Popper maakt zelf gebruik van inductie. In de ogen van Popper is een enkele gebeurtenis die in strijd is met de hypothese voldoende voor falsificatie. En ondanks dat Popper stellig aandringt dat een wetenschappelijke theorie nooit geconfirmeerd kan worden, geloofde Popper ook dat de wetenschap een zoektocht is naar de ware beschrijving van de wereld. Hoe kan een zoektocht naar de waarheid geschieden als confirmatie onmogelijk is?

Volgens Popper hebben theorieën de vorm van generalisaties en theorieën nemen risico door het verbieden van bepaalde gebeurtenissen: als we aannemen dat ijzer, in wat voor een vorm dan ook, uitzet wanneer het wordt verhit, dan zou onze theorie verbieden dat ijzer krimpt wanneer het wordt verhit. Maar als we nu observeren dat ijzer toch krimpt wanneer het wordt verhit? Is de theorie dan meteen gefalsificeerd? Vragen die we kunnen stellen zijn: “is het wel echt ijzer?’ en ‘zijn de meetinstrumenten wel juist gekallibreerd? Anders wordt de theorie gefalsificeerd op basis van valse aannames.

Stel dat we nu moeten kiezen tussen (1) een theorie die vaak getest is en de testen heeft doorstaan en (2) een nieuwe theorie. Beide theorieën zitten nog in de fase van het conjectuur. Popper stelt dat de theorie die vaak getest is de voorkeur heeft. Waarom? Beide moeten in de ogen van Popper gelijkwaardig zijn. Popper ‘redt’ zich hier uit door te stellen dat de vaak geteste theorie ‘gecorroboreerd’ is:

Corroboratie is een maat voor de weerstand die een hypothese of theorie heeft geboden tegen pogingen tot weerlegging. En het is rationeler om een gecorroboreerde theorie verkiezen boven de niet-gecorroboreerde theorie.

Vraag: Heeft Popper hier nu confirmatie een andere benaming gegeven? Je zou het wel denken! Echter: Popper maakt onderscheid tussen confirmatie en corroboratie. Corroboratie is een maat voor de weerstand die een hypothese of theorie heeft geboden tegen pogingen tot weerlegging. En een gecorroboreerde theorie zegt niets over de toekomst. Een gecorroboreerde theorie kan immers ook nog in de toekomst gefalsificeerd worden (een gecorroboreerde theorie is ‘terugkijken’). Daarom stelt Popper ook dat ons vertrouwen in een gecorroboreerde theorie niet moet toenemen.

Kuhn

Thomas Samuel Kuhn (Cincinnati, Ohio, 18 juli 1922 – Cambridge, Massachusetts, 17 juni 1996) was een Amerikaans natuurkundige en wetenschapsfilosoof. Zijn bekendste boek is The Structure of Scientific Revolutions (1962) dat hij schreef als promovendus theoretische natuurkunde aan de Harvard Universiteit.

Zijn invloed op de op de verschillende wetenschappen is bijna niet te overschatten. Kuhn was geïrriteerd door de simplistische kijk van filosofen op de geschiedenis van de wetenschap als een continu proces van vooruitgang waarmee de waarheid steeds dichter benaderd wordt. Kuhn stelde dat er radicale en onoverbrugbare discontinuïteiten bestaan tussen de verschillende perioden van wetenschappelijk onderzoek.

De geschiedenis van de wetenschap is volgens Kuhn doorspekt met gewelddadige intellectuele revoluties waarmee een einde kwam aan lange perioden van conservatief gepuzzel. Perioden van ‘normale’ wetenschap worden niet zozeer gekenmerkt door onafhankelijk en objectief onderzoek als wel door het vasthouden aan aannames en verwachte uitkomsten waar consensus over bestaat. Tijdens die perioden worden onverwachte en niet-passende uitkomsten terzijde geschoven als irrelevant of als een probleem dat later maar moet worden opgelost. Originele studies waarin de aannames van de heersende theorieën in twijfel worden getrokken, worden als wilde en nutteloze speculaties van de hand gewezen. Daarmee kwam Kuhn tot het begrip paradigma.

Paradigma: een web van aannames en opvattingen van een bepaalde gemeenschap dat de richting bepaalt van het onderzoek.

Verdere kenmerken van een paradigma zijn: het paradigma kan zelf nooit in twijfel worden getrokken of bekritiseerd. En: er is één paradigma per wetenschapsgebied per periode.

Volgens Kuhn doorloopt een wetenschappelijke discipline de volgende opeenvolgende fasen:

Pre-wetenschap: er is nog geen paradigma dus is er geen overeenstemming.

Normale wetenschap: er is een paradigma, dus eenstemmigheid, waardoor vooruitgang mogelijk is.

Kuhn gebruikte de term ‘normale’ wetenschap voor wetenschappelijk onderzoek binnen het raamwerk van een paradigma. Een belangrijk kenmerk is dat deze periode goed georganiseerd is. Wetenschappers hebben de neiging om het met elkaar eens te zijn over welke problemen belangrijk zijn en hoe deze problemen opgelost kunnen worden.

Maar wat is nu het werk van een goede wetenschapper binnen de periode van ‘normale’ wetenschap? Kuhn beschrijft dat veel werk bestaat uit het oplossen van een puzzel. De wetenschapper gebruikt de methoden en concepten die door het paradigma worden aangereikt ten einde nieuwe modellen of nieuwe fenomenen te beschrijven, die weer binnen het raamwerk van het paradigma passen.

Kuhn gebruikte het woord ‘puzzel’ in plaats van ‘probleem’ bewust. Omdat een puzzel iets is wat we nog niet hebben opgelost, maar waarvan wij denken dat het wel op te lossen is. Een probleem, voor zover wij kunnen weten, kan geen oplossing hebben.

De term ‘puzzel’ suggereert ook dat het wetenschappelijk onderzoek, op een bepaalde manier, onbelangrijk (triviaal) lijkt. Een wetenschapper spendeert veel tijd aan onderwerpen die op het eerste oog triviaal lijken. Maar het is juist deze aandacht voor details die de goed georganiseerde fase van ‘normale’ wetenschap mogelijk maakt. Juist hierdoor worden nieuwe verborgen feiten belicht, die van groot belang kunnen zijn. Sterker nog, deze details spelen vaak een rol in de destructie van het paradigma.

Een belangrijke eigenschap van ‘normale’ wetenschap is dat de fundamenten van het paradigma beschermd worden tegen weerleggingen (falsificatie). De wetenschapper probeert het paradigma te verruimen, theoretisch en experimenteel. Wanneer resultaten niet overeenkomen met de verwachte uitkomsten, dan probeert de wetenschapper te achterhalen welke fouten er gemaakt zijn.

Kuhn accepteert dat theorieën soms weerlegd worden door observatie binnen de periode van ‘normale’ wetenschap. Het paradigma levert principes voor het nemen van deze beslissingen. Maar een paradigma in zijn totaliteit afwijzen is een stuk moeilijker. Het afwijzen van een paradigma gebeurt alleen (1) wanneer het aantal anomalieën zich opstapelen tot onhoudbare aantallen en (2) wanneer een concurrerend paradigma is verschenen.

Crisis: anomalieën oftewel onverklaarbare verschijnselen binnen de theorie worden openlijk onderkend.

Een anomalie is volgens Kuhn een puzzel die niet opgelost kan worden. Kuhn stelt dat alle paradigma’s te maken krijgen met anomalieën. Zo lang er maar niet te veel zijn, gaat de wetenschapper door met zijn werk en ziet hij deze anomalieën als een uitdaging. Maar de anomalieën hebben de neiging om te accumuleren. De wetenschapper verliest zijn vertrouwen in het paradigma. Dit resulteert dan in een crisis.

‘Crisiswetenschap’ is een speciale periode wanneer een bestaand paradigma het vermogen om de wetenschapper te leiden en te inspireren verloren is. Er is dan nog geen nieuw paradigma verschenen om de wetenschapper ‘back on track’ te krijgen. Met als gevolg dat fundamentele kwesties weer open zijn voor debat.

Kuhn ziet het afbrokkelen van een paradigma als een eigenschap van goede wetenschap.

Revolutie: deze leidt tot een nieuwe normale wetenschap.

Korte opsomming: paradigma’s organiseren wetenschappelijk werk. Normale wetenschap is werk dat gericht is op de uitbreiding en het verfijnen van het paradigma. De wetenschapper is verbonden met een paradigma en zal dit niet in twijfel trekken. De wetenschapper breidt zijn paradigma uit, zowel theoretisch als experimenteel. Anomalieën stapelen zich op totdat de wetenschapper hier niet meer omheen kan. De wetenschapper verliest zijn vertrouwen. Het wetenschapsgebied van het paradigma stort in, met een crisis als gevolg.

Kritiek en voorbeelden

Het meest controversiële/merkwaardige deel van Kuhn’s theorie is de stellige bewering dat er maar één paradigma per wetenschap per periode/tijd is. Kuhn stelt dus dat er in het algemeen maar een paradigma is dat een bepaald wetenschapsgebied domineert.

Ook overdreef Kuhn de mate waarin de ‘normale’ wetenschapper gecommitteerd is aan een paradigma. Kuhn beschreef de attitude van een ‘normale’ wetenschapper in sterke bewoordingen: wetenschappelijke educatie is een vorm van indoctrinatie, met als gevolg dat de wetenschapper een diep ‘geloof’ heeft in het paradigma.

Als je kijkt binnen de periode van normale wetenschap, dan kun je met gemak goede en slechte wetenschap uit elkaar halen, rationele en irrationele beslissingen herkennen, grote en kleine problemen onderscheiden etc. Vooruitgang is evident ‘as time goes by’. Maar deze eindigt in een revolutie. In een wetenschappelijke revolutie worden de regels afgebroken en deze moeten weer vanaf nul opgebouwd worden. Het is dan niet duidelijk of er überhaupt vooruitgang is geboekt in het proces. Het kan zo zijn, dat de verschillende theorieën niet te vergelijken zijn. De wetenschappers aan de verschillende zijden kunnen een ‘verschillende taal spreken’. Kuhn stelt dat de wetenschappers in de verschillende paradigma’s in gescheiden werelden leven.

Incommensurabiliteit: het ontbreken van een gemeenschappelijke maat om de verschillende paradigma’s te vergelijken.

Volgens Kuhn is de wetenschap een geheel van georganiseerde gedragingen met een specifieke sociale structuur. Wetenschap bloeit alleen in specifieke vormen van samenlevingen. Hierdoor lijkt wetenschap een wankele culturele prestatie. Subtiele veranderingen in educatie, beloningsstructuur en de politieke situatie van wetenschappers zouden kunnen resulteren in het verlies van de speciale mechanismen van verandering die Kuhn beschrijft.

Het belang van de zienswijze van Kuhn, is dat hij niet zozeer naar de rechtvaardiging van wetenschappelijke kennisaanspraken kijkt als de vakfilosofen voor hem, zoals Karl Popper en de logisch positivisten, maar als historicus en socioloog. De wetenschapsfilosofen zoeken naar een logische reconstructie van de processen die een rechtvaardiging en legitimatie aan theorieën kunnen verstrekken in termen van geldigheid of waarheid. Vóór Kuhn hadden anderen er al op gewezen dat de geldigheid van theorieën slechts binnen een context van andere theorieën en experimenten kan worden aangetoond.

Het paradigma verwijst nadrukkelijk naar sociale en psychologische aspecten. Hiermee lijkt de rationaliteit van het wetenschappelijk bedrijf in het geding te komen. Opvolging van wetenschappelijke zienswijzen is dan ook niet de uitkomst van een rationeel, maar van een sociaal proces. Paradigma’s sterven uit met hun verdedigers en nieuwe paradigma’s ontstaan met nieuwe generaties onderzoekers. Kuhn mixte bewust, wat de logisch empiristen gescheiden wilden houden. Kuhn werd ook wel de ‘vernietiger’ van het logisch empirisme genoemd.

Feyerabend

Paul Karl Feyerabend (Wenen, 13 januari 1924 – Genolier (Zwitserland) 11 februari 1994). Belangrijkste werken: Against Method (1975), Science in a Free Society (1978) en Farewell to Reason (een verzameling artikelen uitgegeven in 1987).

Feyerabends bekendste werk is zijn boek: Against Method (1975). Hij pleitte voor epistemologisch anarchisme. De epistemologische anarchist is tegen alle systemen van regels en beperkingen in de wetenschap. Goede wetenschappers zijn opportunistisch en creatief, ze staan welwillend tegenover het gebruik van elke beschikbare techniek voor nieuwe ontdekkingen en overtuigingen. Elke poging om een methodologie te stichten in een wetenschap zal maar leiden tot beperkingen van creativiteit. Wanneer we kijken naar de geschiedenis van de wetenschap, dan zien we dat grote wetenschappers altijd de wil hebben gehad om te breken met de basis methodologie die zo vanzelfsprekend wordt opgelegd.

De enige wetenschappelijke methode die volgens Feyerabend de voortgang van de wetenschap niet zal belemmeren, is de anarchistische methode: ‘anything goes’. Feyerabend verdedigde zijn positie door gebruik te maken van een breed scala aan ideeën over de wetenschappelijke taal en de psychologie van de observatie. Net als Kuhn, dacht hij dat concurrerende theorieën vaak linguïstisch incommensurabel zijn. Hij beargumenteerde dat observaties in de wetenschap gecontamineerd zijn met theoretische aannames, en daarom niet gezien kunnen worden als een neutrale/objectieve test van de theorie. Deze argumenten waren gebaseerd op speculatieve ideeën over de wetenschappelijke taal en waren niet echt overtuigend.

Feyerabend schreef in het begin van zijn Against Method dat zijn betoog/argumenten niet zijn eigen diepe overtuigingen zijn, maar aantonen hoe makkelijk het is om mensen ‘bij de neus te nemen’ in een rationele zin. Maar wat is dan wel echt een overtuiging die Feyerabend had? Dat wetenschap een aspect is van de menselijke creativiteit. Wetenschappelijke ideeën en wetenschappelijke veranderingen moeten geëvalueerd worden in die termen.

Feyerabend stelt dat de wetenschappers veranderen in ‘menselijke mieren’ totaal incapabel om buiten hun opleiding/doctrine te kijken. En de dominantie van wetenschap in de maatschappij verandert de wetenschapper in een ongelukkig, onvriendelijk en zichzelf rechtvaardigend mechaniek zonder enige vorm van charme en humor. In het slotwoord van: ‘Against Method’ verklaarde hij dat de samenleving bevrijd moest worden van een beklemmend en dominerend wetenschappelijke instituut. Net zoals deze eens bevrijd/verlost moest worden van de grip van de eens ware religie.

Feyerabend had twee principes die de wetenschappers moesten volgen.

De eerste regel noemde Feyerabend: het principe van vasthoudendheid. Dit principe houdt in dat wij ons moeten vasthouden aan attractieve theorieën. Ook als deze voor serieuze problemen zorgen, moeten wij deze theorieën een kans geven om zich te ontwikkelen. Als elke wetenschapper dit principe zou volgen, dan zou er maar weinig tot niets veranderen. Daarom komt Feyerabend met een tweede principe: het principe van proliferatie. Dit principe houdt in dat de wetenschappers met nieuwe theorieën en ideeën moeten komen.

 

Feyerabend claimde dat hij de traditie volgde van de filosoof en politiek theoreticus John Stuart Mill. In zijn paper On Liberty, beargumenteerde Mill dat de samenleving gebaat is bij een diversiteit van ideeën en verschillende manieren van leven. Voortdurende proliferatie van nieuwe theorieën creëert een ‘marktplaats van ideeën’ waarin de vele verschillende opties worden verkend en de beste overwinnen. Feyerabend stelde dat de beperkingen van onze huidige perspectieven alleen gezien kunnen worden als we ze van een afstand konden waarnemen. Dit leidt tot onderkenning van de beperkingen van de gevestigde theorieën.

Ideeen omtrent een behoefte aan verschillende invalshoeken (marktplaats) zijn interessant.

Maar Feyerabend is iets belangrijks vergeten en dit verzuim ondermijnt zijn versie van de ‘marktplaats van ideeën’. Wat Feyerabend mist is een regel of mechanisme voor het ‘afwijzen’ en ‘elimineren’ van ideeën. Als we het recept van Feyerabend volgen, dan leidt dat tot een accumulatie van wetenschappelijke theorieën in elke tak van de wetenschap. Sommige ideeën/theorieën worden na verloop van tijd oninteressant en worden aan de kant gelegd. Maar er is ook geen goede reden om sommige theorieën van de tafel te vegen. Dan rijst de vraag: wat zouden we dan moeten doen, als we een van deze theorieën in de praktijk moeten brengen? Welke theorieën moeten we dan gebruiken? Hopelijk niet de meest creatieve. Feyerabend gaf nooit een bevredigend antwoord hierop.

Anarchistische wetenschapsfilosofie

In ‘Against Method’ ontwikkelt Feyerabend een theorie van wetenschappelijke methodologie die ingaat tegen alle pogingen van eerdere wetenschapsfilosofen als Karl Popper, Imre Lakatos en de logisch positivisten om een universele wetenschappelijke methode te karakteriseren. Aan de hand van Galileo laat Feyerabend zien dat wetenschappelijke vooruitgang soms alleen kon plaatsvinden omdat wetenschappers alle wetten braken: Galileo hield vast aan theorieën die al weerlegd waren. Hij lapte de methode van inductie aan zijn laars en gebruikte meer propaganda dan rationele argumentatie. En, zo zei Feyerabend, hij moest dat ook doen: had hij zich wel aan de gangbare methodologische eisen gehouden, dan was er van zijn werk niets terechtgekomen. De enige wetenschappelijke methode die volgens Feyerabend de voortgang van de wetenschap niet zal belemmeren is de anarchistische methode: ‘anything goes’.

Wetenschap en politiek

Feyerabends anarchisme heeft naast een methodologische ook een politieke component. Zijn ideaal is dat van een mens die vrij is om te kiezen wat hij wil geloven op basis van zijn eigen oordelen. In de huidige culturele dominantie van de wetenschap ziet Feyerabend een gevaar voor dit ideaal: kinderen worden verplicht te geloven in wat de wetenschap hen voorhoudt en alternatieve beschouwingen worden verketterd of doodgezwegen. Hij pleit voor een meer pluralistisch denkklimaat, dat in de eerste plaats bereikt zou moeten worden door de scheiding tussen Staat en Kerk. Een scheiding tussen Staat en Wetenschap ligt in het logische verlengde daarvan.

Slotwoord

Wat probeert de wetenschap nu te beschrijven? Onze wereld natuurlijk!

Maar welke wereld is dat nu precies?

‘Onze’ wereld, de wereld waar we allemaal in leven en mee interacteren.

En als de wetenschap geen ernstige fouten heeft gemaakt; leven we in een wereld van elektronen, chemische elementen, genen en natuurlijk nog vele andere zaken. Maar was de wereld van een duizend jaar geleden ook een wereld die bestond uit elektronen, chemische elementen, genen en andere dingen?

Vraag aan het publiek:

Wie van jullie denkt dat de wereld van een duizend jaar geleden ook uit elektronen, chemische elementen, genen en andere zaken bestond? Waarom?’

Echter is het concept van een elektron een ‘product’ van debatten en experimenten die plaatsvonden in een specifieke historische context.

We moeten het bestaan van elektronen zien als een conceptualisatie van de wereld die afhankelijk is van de tijdsgeest waarin wij leven. Het idee dat onze theorieën een werkelijkheid beschrijven die objectief en onafhankelijk is van ons denken en perceptie is een denkfout; een naïeve filosofische kijk die verbonden is met geschiedenis van de wetenschap, en de positie van de wetenschap in de maatschappij.

”Degene die daadwerkelijk kent, is het gekende daadwerkelijk zelf.”

Aristoteles

”De mens is maat van alle dingen. Van de dingen die zijn wat ze zijn en van de dingen die niet zijn wat ze niet zijn.”

Protagoras