Arnhem in de literatuur

park sonsbeek

Arnhem was, is en blijft een inspiratiebron voor schrijvers. Soms schrijven en dichten ze expliciet over de stad en haar bewoners, zoals Koos van Zomeren, Jac. Toes of Johnny van Doorn. Maar soms moet je het Arnhemse goed kennen om te begrijpen dat een verhaal zich in onze stad afspeelt.
Op deze pagina vind je voorbeelden van Arnhem in de literatuur. Een vaste column wordt verzorgd door Emma Rijneke, die vanuit het Burgemeesterskwartier de stad met een literair oog overziet.

Zelf een bijdrage leveren aan Arnhem in de literatuur? Neem contact op met hermien@hijmanongerijmd.nl.

 
Net geen ode II
 
Dag Arnhem
Je mensen zijn leuk genoeg
je stad komt er net mee door
je valt niemand lastig
en je treft niemand blaam
je kunt precies genoeg naam maken
en het gat in je hand
valt in de rest van het land
niet zo op
 
Je redt het wel Arnhem
je kunt het best
klaag niet stad
net niet als de rest
 
Jesse Laport, in: Arnhem met een Scheve Blik, Nieuwe Druk 2014.

 

Links en rechts van de kerk. Door Emma Rijneke

Geplaatst door op 21:42 in Arnhem in de literatuur | 0 Reacties

Emma links en rechts van de kerk 1Zij die er ernstig over nadenken zo langzamerhand in Arnhem eens wat kleiner te gaan wonen, in een appartement wellicht, beetje hoog, room with a view: zij zijn gewaarschuwd. Boven is niet alles wat het lijkt. Je kunt er ernstig gedesoriënteerd raken.

Als je in de binnenstad bent denk je misschien dat de John Frostbrug links van de Eusebius ligt. Hierboven, op vijf hoog in de Burgemeesterswijk, is dat rechts. In de lente, wanneer een reiger vlak langs mijn raam scheert, volg ik hem vaak met mijn ogen: die vinden dat hij rechts van de kerk over de John Frostbrug naar zijn eetplek in Malburgen vliegt. Een behoorlijke omweg. Dat doet hij natuurlijk niet. Hij is niet gek, hij heeft het al druk genoeg met zijn kinders. Mìjn manke oog ervaart dat zo. De John Frost lijkt dan qua ligging net de Mandelabrug, maar dan met een kattenrug.

Emma links en rechts van de kerk 2Dit verhaal en mijn uitzicht op een beroemde historische plek is natuurlijk gewoon een bruggetje naar waar de komende dagen alles om draait: De BRUG met hoofdletters. En natuurlijk zijn verdedigers die net als ik ieder jaar een beetje minder soepel gaan lopen. Maar zij hebben een voorsprong, want zij sprongen al toen ik de oersprong nog moest maken.

De Rijnbrug

(na de slag om Arnhem)
Toen ik aankwam bij de brug
wist ik wat ik denken zou
wat ik zachtjes zeggen zou
en hardop uit mijn hart.

Er is geen woord voor deze schrik
dat denkbaar wilde zijn
om te duiden welk een schok
het hart verdragen kan.

Boven de geknakte armen
het opgescheurde lichaam
en de eens zo eerlijke spanning
van de nu gebroken boog

Riep een stem in mij: verlos ons
van de belachelijkheid der Tien Geboden
die wij vijfduizend jaar lang
met wellustige ijver overtraden
tot op deze dag.

J.H de Groot

Veteranen 1

Die oude mannen kwamen ons bevrijden
toen ze nog op hun benen konden staan.
Nu winkelen ze wat. Een veteraan
geeft me een knipoog uit zijn beste tijden.

‘The girls are just as beautiful,’ dat zeiden ze
gisteren in ’t nieuws. Een winnerswaan.
Hun meisjes hebben nu corsetten aan
en pillen om hun vaten te verwijden.

Ook ik wil zo’n verjaarde held, niet om met hem te vrijen
maar ik wil hem vragen
wat oorlog is en hoe voelt ouderdom.
En brengt de plaats van toen die tijd terug?

Zijn antwoord klinkt wat slissend en verslagen:
een kunstgebit vervangt zijn laatste brug.

Patty Scholten

Jan H. de Groot (1901-1990) heeft vele dichtbundels op zijn naam staan. Tijdens de oorlog waren hij en zijn vrouw nauw bij het verzet betrokken. Onder schuilnamen publiceerde hij diverse bundels. In 1949 werd hij redacteur van Het Vrije Volk in Arnhem en was jaren lang perschef van de AKU. Hij woonde in de Gabriëlstraat op de Hoogkamp. In ‘Kaleidoscopisch’ is zijn meeste werk verzameld.

Patty Scholten (pseud. Patty Klein) is stripauteur, maar is als dichter onder de naam Patty Scholten o.a genomineerd voor de VSB Poëzieprijs en voor Dichter des vaderlands. Zij was de eerste dorpsdichter van de Gemeente Renkum, waar zij ook woont.

Emma Rijneke

was redacteur bij encyclopedie Oosthoek, toneelproductieleider, lid van de kunstredactie van de STA, mede-auteur van Toppers, boven de winkels in de Arnhemse binnenstad en schrijft een column voor de site van de Burgemeesterswijk Arnhem.

De Arnhemmer ís Primark. Marcel van Roosmalen.

Geplaatst door op 21:10 in Arnhem in de literatuur | 0 Reacties

De column ‘De Arnhemmer ís Primark’ is gepubliceerd in de bundel ‘Geen brug te ver’ van  Marcel van Roosmalen (verschijnt 30 mei 2015). Dit is een voorpublicatie speciaal voor Hijman Ongerijmd lezers.

Lelijke kleding uit ontwikkelingslanden voor weinig geld, dat is het concept van Primark. Ik vond het niet vreemd dat de Ierse modeketen juist Arnhem had uitgekozen om daar het voorlopig grootste filiaal van Nederland – 5600 vierkante meter – te vestigen. Ik weet hoe ze daar in elkaar zitten, ik kom er immers vandaan. Voor een paar euro minder gaan de principes opzij en kun je dranghekken voor de deur zetten. Die stonden er dan ook toen het filiaal opende, samen met de burgemeester en de fanfare. Ze, het volk, bestormden de winkel brullend van opwinding, binnen werden ze juichend ontvangen door 88 ex-structureel werkloze Arnhemmers die dankzij gemeentelijke subsidies bij Primark een baan hadden gevonden.

Dit soort taferelen speelde zich in meer provinciesteden af waar Primark kwam, zag en overwon, maar nergens was het Primark-effect zo groot als in mijn geboortestad.

Of eigenlijk is er geen effect, het is slechts een bevestiging van wat ik al wist: de Arnhemmer is Primark.

Eerst keihard jammeren om het vertrek van de Bijenkorf: ‘Nou gaat de stad naar de kloten. Alle kleine winkeliers gaan kapot, eg waar.’

Daarna dezelfde kleine winkeliers als argument gebruiken om juist bij de Primark te gaan winkelen.

‘Laat ze lekker naar de kloten gaan! Motten ze zelf maar goedkoper worden.’

Ik bezocht het centrum en constateerde dat het er drukker was dan voorheen. Iedereen liep er met zo’n papieren Primark-tas vol Primark-kleren te mopperen op de andere winkels die zo verschrikkelijk duur zijn.

‘Wij zijn hier jarenlang op een verschrikkelijke manier opgelicht.’

De Primark was de nieuwe beste vriend, de toffe jongen in de kroeg die elke keer een rondje gaf. En van nieuwe beste vrienden bleef je met tengels af.

De posterplakkers van Loesje – ook uit Arnhem – hadden teksten in de stad gehangen: bericht: de medewerkers van primark hebben een donatiepotje voor de textielarbeiders naast de kassa gezet.

De Arnhemmer haalde de schouders op.

‘Doen ze slim bij de Primark, ruime winstmarge,’ zei een moeder die met haar dochter voor twintig euro twee tassen had laten vullen.

Ook gehoord: ‘Ikea buit toch ook chauffeurs uit, of niet dan?’

En: ‘Primark haalt een heel pak werklozen van de straat.’

Die werklozen kwamen natuurlijk weer terug als de kleine winkels waren verdwenen, maar die konden dan dankzij de Primark nog wel goedkoop kleren kopen. Wat dat betreft waren ze er in Arnhem inderdaad op vooruitgegaan.

Over Marcel van Roosmalen

Marcel van Roosmalen

Marcel van Roosmalen (1968) is auteur van onder meer Op Pad met Pim (2002), een bundeling van reportages waarin hij de politieke campagne van Pim Fortuyn van nabij beschreef, Op Campagne met Oranje (2004) en verspreid over enkele jaren, een drieluik over drie verschillende seizoenen met Vitesse. Deze werden allemaal het eerst gepubliceerd als nummer van het literaire voetbaltijdschrift Hard Gras. Het eerste Vitesse-boek, Je hebt het niet van mij. Een tragi-komisch verslag van een jaar Vitesse, werd bekroond met de Nico Scheepmakerbeker voor het beste sportboek van het jaar 2006. In oktober 2013 verscheen Het is zoals het is, een portret over het laatste jaar van het leven van de begin 2013 overleden oud-Vitesse-speler en -trainer Theo Bos. Zijn beste columns uit nrc.next werden gebundeld in Ik ben (s)normaal (2014).

Het gelukkige jaar 1940, Hans Münstermann. Door Emma Rijneke.

Geplaatst door op 14:04 in Arnhem in de literatuur | 0 Reacties

Munsterman 1-arnhem5In welk Arnhem loopt Andreas Klein, de ik-persoon uit het boek Het gelukkige jaar 1940 van Hans Münstermann, in zijn fantasie rond als hij probeert het leven van zijn ouders te reconstrueren vanaf het moment dat zij- de vader Joachim, een Duitser, de moeder Marianne, een Arnhems meisje- de volgende dag, uitgerekend op 10 mei 1940, in deze stad in het huwelijk zullen treden? Welke route neemt hij door de binnenstad op zoek naar de plekken die die dag belangrijk zullen zijn , het Duivelshuis waar getrouwd zal worden, de Walburgiskerk, waar het huwelijk zal worden ingezegend? Slentert hij , de verpauperde buurt van de Langstraat ontwijkend, langs de Bockhalle in de Menthenstraat waar Bloem en Greshoff ooit met geestverwanten van gedachten wisselden, maar die binnenkort gevuld zal worden met het gelal van indringers? Het is mooi weer, de toegangsdeuren van de veelal joodse winkels in de Pastoorstraat en de er haaks opstaande Kerkstraat staan open. Achter de gevels kan hij niet kijken, maar misschien vermoedt hij er joodse vluchtelingenkinderen uit Duitsland, ondergebracht bij familie of verre kennissen? Fietsen staan nog onbedreigd tegen de gevels. Op de ramen nog net geen Jüdisches Geschäft geplakt, maar de drukpersen lopen warm. Wappert ergens al een vlag met een hakenkruis? Het is nu de nationale vlag van Duitsland , dus al niet meer verboden en het verontrust de Arnhemmers niet, ze zijn immers neutraal?

 

Of is hij op het Willemsplein uit een van de toen nog in gebruik zijnde gele boemeltrams gestapt met in zijn rug het er nog ongeschonden bijstaande Royal met zijn brede zonneschermen en zigeunerorkest? En voor zijn neus Hotel de Harmonie waar Nescio negen jaar later even zijn intrek zal nemen en geen oog zal hebben voor de net drie dagen rijdende trolleybussen die de gebombardeerde trams vervingen? Om dan via het Jansplein, de te verhandelen varkens ontwijkend, door te lopen naar de beslotenheid van de Kippenmarkt waar de Eusebius nog trots zijn kleine spits bewaakt en neerkijkt op de fraaie architectuur van zijn buren? Misschien neemt hij een kop koffie in Café Central-National in de Bakkerstraat om van daar uit een blik te werpen op de schoenmakerij aan de overkant, waarboven zijn moeder zich klaarmaakt voor de grote dag? Hij zet zijn wandeling voort. De straat met zijn fraaie winkelpuien ademt rust , de gevel van Van Gend en Loos op nummer 64 is intact , geen voetstappen op het plaveisel behalve de zijne, nog geen plaquette aan de gevel… En even verderop ligt de nog niet vernoemde Rijnbrug pas vijf jaar te blinken in de meizon…..Kom maar op met dat huwelijk , alles voelt goed, de stad is er klaar voor. Of houdt het zijn adem in?

De dag erna is de aanstaande echtgenoot niet meer zomaar een Duitser, maar een Duitser. En nu, 9 mei, nog niet in oorlog, zal Nederland zich over zes dagen overgeven en zowel in de stad als in het huwelijk zullen in de loop der jaren gaten geslagen worden. Het oude Royal is niet meer, de trams zijn stuk. En het is alsof de gaten in de kerk nu nog steeds tocht veroorzaken op het kale plein, waar het net lijkt of de stenen van de stukgeslagen monumenten zijn neergeslagen en opgegaan in het te uitgestrekt plaveisel. De binnenstad heeft zich nooit echt hersteld. Het huwelijk liep stuk. Steigers hielpen niet…

 

Fragment:

Zij ligt in bed en zij slaapt. Het is haar laatste nacht in het ouderlijk huis aan de Bakkerstraat in Arnhem. Morgen trouwt zij. Hier moet ik beginnen. Een slapend meisje van achttien dat morgen trouwt met een man van vijfendertig. Dit is de nacht van 9 op 10 mei en de weerberichten voor morgen zijn bijzonder gunstig. Mijn toekomstige moeder ligt te slapen in haar meisjeskamer. Zij droomt van de man die morgen naast haar staat voor het altaar van de Walburgiskerk. Een Duitse man. Hij spreekt een beetje Nederlands, ongeveer zoals prins Bernhard, als je die op de radio hoort. Het is helemaal niet gek om met een Duitser te trouwen als de kroonprinses het ook doet. Het meisje in bed volgt een koninklijk voorbeeld. Ze heeft vaak aandachtig gekeken naar de foto’s van het prinselijk paar. Een droomhuwelijk. Een sportieve prins en een serieuze prinses. Doortrokken van een grote ernst die te maken heeft met de taak die zij ooit op zich zal nemen. Moeder. Iets heel teers en schoons, waar ze nog net niet bij kan, maar wat eraan komt.(…)

 

De trouwdag van mijn moeder. Al jaren droom ik ervan. Als een archeoloog die niets anders wil dan het koningsgraf na drieduizend jaar eindelijk openen. Het is een droom met een breed opgezet verhaal. Het strekt zich uit van de jaren twintig tot het midden van de jaren zestig. In de droom keer ik steeds terug naar dezelfde dingen: mijn ouderlijk huis in Amsterdam toen ik nog klein was. Mijn eerste step die meteen gestolen werd, maar de droom dringt door in een verder weg liggend verleden: ook dingen van voor mijn geboorte waar ik eigenlijk niks van kan weten. De eerste ontmoeting tussen mijn ouders. Mijn moeder als meisje van zestien en mijn vader als man van over de dertig. Maar wat me het meest fascineert is hun trouwdag. Wat daar allemaal uit voort is gekomen! Wat daar is bezegeld! Hoge toppen van eenzaam geluk, toppen die nergens meer te vinden zijn, niemand die het zich nog wil herinneren. Voelbare pijn op de enige plek waar je kwetsbaar bent, de enige plek die niemand kan aanwijzen maar die echt bestaat omdat het zo’n pijn doet.

 

Er zijn ochtenden dat ik wakker word en de beelden nog heel duidelijk op mijn netvlies voel en zie. Het panorama van Arnhem op de ochtend van de 10e mei. Een stralende ochtend, een schitterend gelegen rustige stad aan de rand van de Veluwe. Gelukkige burgers. Je kunt nergens fijner wonen, geen plek ter wereld waar je je veiliger kunt wanen. Een ochtend uit een sprookje, uit Homerus, een gouden dageraad die de eerste aanzetten van de dag aftast. Dit wordt de eerste echte lentedag. Is er een mooiere dag denkbaar om te trouwen? Ik hang ergens boven de huizen van Malburgen en kijk over het water van de Rijn naar het centrum van de stad. Er is nog haast niemand op straat. Een enkele auto, waarvan je je afvraagt: wat doet die om half vijf al op straat? In de verte zie ik de rode baksteentjes van de Walburgiskerk zich verheffen boven de rest van de stad. Daar zal het huwelijk zich voltrekken. De mooiste vrijdag van je leven. Ik krijg een brok in mijn keel. De hele dag zal zich ontrollen als ik maar kan dromen. Nooit droom ik anders, en door elke dag dezelfde droom te dromen over die huwelijksdag zal mijn droom steeds scherpere beelden laten zien en steeds mee details tonen en ooit samenvallen met de werkelijkheid van toen.

Munsterman 1-arnhem12

Hans Münstermann (Arnhem, 1947), Het gelukkige jaar 1940, debuutroman, 2000 (longlist, Aku- en Librisliteratuurprijs, Eci-prijs voor Schrijvers van Nu). Deze roman was het begin van een serie zogenaamde ‘generatieromans’ met als hoofdpersoon de verteller Andreas Klein. Je moet niet denken dat ik altijd bij je blijf (2001); De Hitlerkus (2004); De Bekoring (2006) Ako Literatuurprijs; Ik kom je halen als het zomer is (2010). Voor zijn debuut in 2000 vormde Münstermann een schrijversduo met Jacques Hendrikx onder het Pseudoniem Jan Tetteroo; No Flash (1992) ; Bozoc (2001).

 

Emma Rijneke

was redacteur bij encyclopedie Oosthoek, toneelproductieleider, lid van de kunstredactie van de STA, mede-auteur van Toppers, boven de winkels in de Arnhemse binnenstad en schrijft een column voor de site van de Burgemeesterswijk Arnhem.

Van de redactie

we hebben alle mogelijke moeite gedaan om de rechthebbenden op deze tekst te achterhalen. Als iemand meent rechten te kunnen doen gelden, kan deze zich melden bij boekhandel Hijman Ongerijmd (hermien@hijmanongerijmd.nl).

Pisuisse, Blokzijl, Arnhem – door Emma Rijneke

Geplaatst door op 15:00 in Arnhem in de literatuur | 0 Reacties

1. Straatmuzikanten - kopie

Pisuisse en Blokzijl als straatmuzikanten

Jean Louis Pisuisse en Max Blokzijl , wat hebben deze mannen met elkaar gemeen en hoe passen ze dan ook nog samen in het Arnhemse? Arnhem kennen wij als onze broekzak , Pisuisse laat ons nog wel eens ‘Mensch durf te leven’ fluiten en van de naam Blokzijl krijgen we ook nu nog een unheimisch gevoel van binnen. Maar wat hebben ze met elkaar van doen? Wat je van Arnhem nog steeds niet echt kan zeggen gold wel voor beide heren: flamboyance was hen niet vreemd en deze was gemakkelijk te koppelen aan hun uiteenlopende levensmotto’s . Motto’s die voor ieder afzonderlijk een volstrekt andere , maar wel even gewelddadige dood tot gevolg hadden… ‘Le coeur avant tout’ predikte Pisuisse (1880)en hij bracht het zelf op grootse wijze in praktijk: in de periodes dat hij de huidige wettige echtgenote met de toekomstige wettige bedroog, zag hij ook nog kans tussentijds andere dames tussen zijn lakens te krijgen. Zijn amourette met de opvolgster van zijn tweede vrouw actrice Fie Carelsen werd hem uiteindelijk fataal: samen met Jenny Gilliams, nog maar net zijn derde echtgenote, werd hij op 26 november 1927 op het zo door hem bezongen Rembrandtplein doodgeschoten door zijn rivaal, de vroegere geliefde van Jenny. Alle drie maakten deel uit van het Cabaret Pisuisse.

2.Pisuisse en Fie Carelsen (2) - kopie

Pisuisse en Fie Carelsen

Blokzijl (1884) liep, lang na Pisuisses dood, warm voor een heel ander levensideaal. Aanvankelijk wees hij het nationaal socialisme en de jodenvervolging af, maar na de Duitse inval in Nederland kwam hij er openlijk voor uit dat hij het gedachtegoed van de NSB aanhing en niet zo’n beetje ook: voor de radio hield hij flamboyante betogen in ‘Landgenoten’ onder de titel ‘Ik was er zelf bij‘ en als hoofd van de afdeling perswezen van het Nationaalsocialistische Departement van Volksvoorlichting en Kunsten werkte hij aan de nazificering van de Nederlandse Pers. In 1945 ‘was hij er zelf bij ’:‘de Nederlandse Goebbels’ kwam op 16 maart 1946 als een van eerste collaborateurs , nog voor Mussert, voor het vuurpeloton.

Max Blokzijl

Max Blokzijl

 Onderzoek wijst uit dat beide heren, ieder op een ander moment , in Musis Sacrum hebben opgetreden. In 1912 schrijft Pisuisse een liefdesbrief aan Fie Carelsen vanuit het Grand Hotel du Soleil in Arnhem, maar een jaar eerder, op 12 september 1911, klaagt hij in een brief aan haar vanuit Den Haag over zijn optreden als kleinkunstenaar in Musis: ‘Arnhem was beroerd! Er waren verkeerde dagen aangekondigd ,zoodat het publiek niet wist, waaraan het zich moest houden. Bovendien was ’t er nog veel te warm en was er notabene zondagavond óók een buitenconcert in Musis Sacrum.’

Jaren na de dood van Pisuisse verscheen ook Max Blokzijl in Arnhem. Misschien stond hij aan het hek van het Sonsbeekpark de gymnastische oefeningen van de Hitlerjugend te bewonderen? In ieder geval sprak hij in februari 1944 wel de Arnhemse jeugd toe in de feestzaal Tivoli. Later dat jaar verscheen hij ook in Musis , toendertijd door de Duitsers omgedoopt tot Wehrmachtsheim, bekend om zijn NSDAP bijeenkomsten onder leiding van Seyss-Inquart en Mussert : Op zondag 12 september a.s. zal te arnhem de tentoonstelling ‘herlevend nederland’ gesloten worden met een groote openluchtdemonstratie op het velperplein. des morgens om 11 uur zal op het velperplein een muziek-en zanguitvoering worden gegeven, waarna om ongeveer 14 uur de waarnemend propagandaleider der n.s.b, de heer c.thoen, het woord voert; tot slot wordt om 17 uur in musis sacrum door de heer max blokzijl de tentoonstelling gesloten’.

Musis in de oorlog

Musis in de oorlog

Tot nog toe lijken Pisuisse en Blokzijl dus nooit gelijktijdig in Arnhem te zijn geweest. Maar niets is minder waar. In 1907 lagen beide heren, zich er niet van bewust welke wendingen hun levens in de toekomst zouden nemen, ergens in de berm tussen Oosterbeek en Arnhem relaxed in de zon te musiceren. Dat kwam zo:

Jaren voor deze gebeurtenissen waren zij dikke vrienden en collega’s, beiden werkten als journalist voor ’t Algemeen Handelsblad te Amsterdam. De wereld lag voor hen open, Pisuisse had net in boekvorm verslag gedaan van de scheepsramp van de s.s Berlijn voor de kust van Hoek van Holland. Maar de jongemannen waren de vergaderingen en deadlines even zat. Je bent jong en je wilt wat en beiden zochten een mogelijkheid er even uit te breken. Uit hun brein ontsproot het plan om als Italiaanse straatmuzikanten het land door te trekken en van hun wederwaardigheden voor de krant verslag te doen in de vorm van een feuilleton. Het Handelsblad gaf zijn fiat en met de bij hun identiteit passende namen Naphtalie de Rosa (Pisuisse) en Joseph Pardo (Blokzijl) – namen geleend van twee stadgenoten- sprongen ze op de trein het avontuur tegemoet. Lopend, soms slapend onder de blote hemel, maar ook treinend en overnachtend in pensions of hotelletjes deden ze vooral plaatsen in Gelderland aan: via Ede, Wageningen en Oosterbeek belandden ze lopend en met de tram in Arnhem.

straatmuzikanten

straatmuzikanten

Later, nog in 1907, werden deze feuilletons in het boek ‘Avonturen als straatmuzikant ‘ gebundeld door uitgeverij Becht te Amsterdam. Het succes ervan stelde hen later in staat hun zangcarrière uit te bouwen; als zangers/journalisten reisden zij van 1908-1913 door Europa, Nederlands-Indië, China en Japan, Siberië en Rusland. Voor het door het Franse chanson geïnspireerde repertoire bedachten ze de naam ‘levenslied’.

Na gedanen arbeid….

Zoo droeg mij dan- vertelt Naphta verder- in de tram te Arnhem broeder Joseph het denkbeeldig notitieboekje over, waarin wij op onzen tocht onze bevindingen en emoties vastlegden. Hij deed dit door zich schurkend in zijn kale jasje een hoekje in den hotsenden, killen tramwagen te verzekeren; daar strekte hij zijn benen uit, zijn benen waar de ruitjesbroekspijpen suf om neerhingen; zijn ongeschoren hoofd met den vlekkigen flambard leê hij achterover, en toen sliep hij rustig in. (…….) Juist stopte de tram en kwam de conducteur waarschuwen, dat er op de posttram moest worden gewacht, wat wel eens ’n uur wou duren. ’n Gezellige postverbinding lijkt me dat daar. En zo vlug! Onze vriend(uit O), wilde, geloof ik, heusch blijven, wachten, maar gelukkig praatte de conducteur hem dat uit ’t hoofd, zodat we ten slotte met z’n drieën- we waren de eenige en laatste passagiers- de tram uitstapten en naar links van den met zilver maanlicht overgoten Rijnweg Arnhem tegemoet wandelden. Enkele minuten loopens brachten ons in de stad, een tijd, te kort helaas, om van gespreksonderwerp te veranderen. We hadden ’t dus nog altijd over ‘O Sole mio,’’ en plotseling achtte onze metgezel zich geroepen om, beter dan hij het in het Café ‘Concordia’ in Oosterbeek al had kunnen doen, ons een proefje van zijn zangkunst te geven. O Arnhem, dat er zoo vredig in den maneschijn lag, nu nog bieden wij u onze verontschuldigingen aan, dat wij met zulk een heidensch kabaal uw nachtelijke rust van deftige, o, vooral dèftige provinciestad zoo snoodelijk zijn komen storen. (…..)

Inderdaad had onze vriend allervriendelijkst een kamer voor ons besteld in het ‘volkslogement’ van Simmens in de Weerdjesstraat, waarheen hij ons nu- al zingende- bracht. Met een groote transparant, uitspringend uit de gevel,adverteerde het logement zichzelf in de tamelijk breede en zeer fatsoenlijk uitziende straat. En toen we voor de deur stonden en onze vriend gebeld had legde hij ons uitvoerig uit in het vlotte maar Belgische Fransch, dat hij volkomen meester was.

-‘Alors, bien compris, hein? Ge betaalt veertig cent voor logies met ’n kop koffie. En als ge wilt ’n broodje met kaas voor zes centen, met worst acht centen. Maar wacht , ‘k ga even mee naar binnen…”Want de deur was open gegaan en een klein grauw vrouwtje in ‘r nachtjak, met bloote voeten in toffels, stond met ’n kaars in de donkere gang.’Ah, madam, ziet u nou, dat ik woord gehouwe heb, hier breng ik die twee Italiaanse muzikanten, waar ik vanmiddag logies voor heb besproken ‘k Zal maar even mee naar boven gaan’(………). Ook hier, in ’t ledikant bij Simmers, had ik reden even terug te denken aan de teisterende aardvlooien; voelde ik, met permissie, zóó’n eigenaardige kriebeling op verschillende plaatsen tegelijk, dat ik aan de bestendigheid van onze zo vast verzekerde ‘zuiverheid’ wel een beetje begon te tweifelen. Maar ik beschouwde dit als een risico van onzen arbeid en het was bovendien zoo lekker, weer in ’n goed bed te liggen, dat ik –iedereen – en alles!-ter wereld het beste gunde. In die rozige stemming, die zelfs niet verstoord werd door het feit, dat Joseph- blijvende in zijn rol van verwende jongsten broer- zich rolde in wat rechtens mijn dekenhelft was, sliep ik in.

(…..) Door de geasfalteerde Rijnstraat wandelden we onder druk bekijks naar de Walstraat, waar zich het ‘Café National’ van den heer Van Kooten moest bevinden. Aan de straat en de allerminst grandioze entrée van het café zagen we al dadelijk, dat het daar heel wat anders zou zijn dan in ‘Çondordia’ in Oosterbeek, maar dat stelde ons allerminst te leur. In tegendeel.

In zijn hemdsmouwen was de heer Van Kooten, een vierkante, donkere man, achter zijn buffet bezig ‘Frühschoppen’ uit te schenken aan een vijftal klanten, die voor de toonbank stonden. Dank zij onzen tolk, liep onze introductie vlug van stapel. Wij vertelden- naar waarheid- van onze successen in Noordwijk en Oosterbeek, en fantaseerden er uitverkochte zalen in Sneek, Scheveningen en Amsterdam.

Gelukkig bleek ‘monsieur le propriétaire’ nog geen andere artisten voor dien avond geëngageerd te hebben en na wat loven en bieden kwamen we overeen dat we ’s avonds van half acht tot elf zouden komen spelen en zingen voor vier gulden en het recht van collecteeren.(….) Tijd om , zooals in O was gebeurd, reclamebiljetten te doen drukken was er niet, maar, zei de heer van Kooten: Ík kan het reclamebord van ’t café-chantant wel rond sturen’.

En voor dat reclamebord stelde ik het volgende klinkende affiche samen:

 

                                                         SOIRÉE INTERNATIONALE

                                                                     par

                                                       Les Cosmopolites

                 Chansons napolitaines, francaises, allemandes, anglaises et hollandaises.

 

 

’t Waren Arnhemsche dienstmeisjes met haar vrijers, artilleristen met hun uitverkorenen, soldaten met late permissie en werklui, op z’n Zondagsch aan de zwier, die ons publiek vormden, toen we in Van Kooten’s café aan de Walstraat te half acht een aanvang maakten met onze ‘Soirée internationale.’ ’t Was er al tamelijke bezet , toen Joseph op de piano met een vlotten marsch ons programma opende en ’t reclamebord van ’t café-chantant , dat we in de Rijnstraat boven de menschenmassa uit

hadden zien voortschuiven, scheen nog altijd goede uitwerking te hebben. Want voor we twee nummers verder waren, was al herhaaldelijk de getraliede klapdeur open-dicht geslagen en waren vanachter het groene gordijn, dat den ingang afsloot, nieuwe koppeltjes van jonge mannen en meisjes, nieuwe troepjes soldaten, zelfs heele familiegroepen het lokaal binnengekomen, en raakten alle plaatsen ingenomen. Hert lage vertrek werd vol rook en lucht van bier en stemmengeroes; er werd met stoelen geschoven, met tafeltjes gedragen; vier kellners , door Van Kooten van achter ’t buffet gedirigeerd, liepen heen en weer door ’t vertrek, droegen consumpties- à zes centen- aan… Daar overheen bezong ik de bekoorlijkheden van Nunziatina,kreet ik mijn liefdesmart uit, die me ‘als een honger van het hart verteerde’ – dit schoone beeld komt op rekening van een Napolitaanschen dichter- vergeleek ik mijn aangebedene bij een bloeiende tuin, bij een gouden keten, en jammerde ik telkens in ’t hartstochtelijke refrein:

                                                                     ‘L’amore è comme ó mare

                                                                     ‘E comme ó mare ammore

                                                                     ‘Bello ma traritore

                                                                     ‘Nun te se puo fida’

 

                                                                                   ***

Avonturen als straatmuzikant – Door Pisuisse en Blokzijl, volksuitgave, Amsterdam H.J.W.Becht , 1907

 Over Pisuisse:

 

Namen die je nooit vergeet | Jean Louis Pisuisse | Wim Ibo 1/4 Presentatie: Wim Ibo KRO | 20-11-1967  https://youtu.be/T7VS4QV4lm8

Mijn liefste lief. Brieven van Jean-Louis Pisuisse aan Fie Carelsen (ed. Anke Hamel). SDU, Den Haag

http://www.dbnl.org/tekst/pisu001mijn01_01/pisu001mijn01_01_0004.php

http://www.dbnl.org/tekst/pisu001mijn01_01/pisu001mijn01_01_0007.php fragment uit Mijn liefste lief

https://www.youtube.com/watch?v=zOk5rWjAeLA    Begrafenis Pisuisse

http://www.dodenakkers.nl/beroemd/kunst/91-pisuisse.html

https://www.youtube.com/watch?v=NycCZNwycOM   Mensch durf te leven , uitgevoerd  door Ramses Shaffy

Over Blokzijl:

http://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/Index/bwn2/blokzijl     Over Blokzijl

http://deoorlog.nps.nl/page/personen/780111/Max%20Blokzijl?afl=8   Film Blokzijl oorlog

http://www.beeldengeluidwiki.nl/index.php/Audio:_Max_Blokzijl   Beeld en Geluid , Blokzijl

http://www.npo.nl/max-blokzijl-ik-was-er-zelf-bij-8/27-12-2010/POMS_VPRO_21207

Emma Rijneke
was redacteur bij encyclopedie Oosthoek, toneelproductieleider, lid van de kunstredactie van de STA, mede-auteur van Toppers, boven de winkels in de Arnhemse binnenstad en schrijft een column voor de site van de Burgemeesterswijk Arnhem.

 

Sonsbeekpark. Door Emma Rijneke.

Geplaatst door op 13:53 in Arnhem in de literatuur | 1 reactie

sonsbeekparkDitmaal een lentegedicht van Emma Rijneke. Gebruikt voor De Plaats: Het Kwartier van de Burgemeester en en eerder geplaatst in Poëziepunt.gl
 

 

 

Sonsbeekpark

 

Het park

die ouwe snoeper

zit weer warm in

z’n groene blaadjes.

Geil door geuren

van bestoven gras

drijft hij heimelijke zaden

in de plooien van de aarde,

lonkt naar het net

ontloken lover

en werpt krolse kussen

naar de juffers in het groen.

‘Ouwe gek’, kwetteren

de mussen vlinderend

op de verse loten

en giechelend laten zij

zich beetnemen door

de eerste lentezon.

 

Emma Rijneke

Nescio. Door Emma Rijneke.

Geplaatst door op 14:09 in Arnhem in de literatuur | 0 Reacties

Terwijl Nescio’s ‘Uitvreter’ eeuwig verbonden blijft met de Sarphatistraat en zijn ‘Titaantjes’ ‘hele zomernachten aan het hek van het Oosterpark stonden te leunen’, heeft ook Arnhem een soort Nescio-plek. Maar meer een plek van een gemiste kans.

nescio2

Jaren geleden, toen ik nog een huis aan de Zijpendaalseweg bewoonde, dacht ik soms aan hem als ik op weg naar de stad langs nummer 47/49 kwam. Hier had Nescio in 1949 tijdens zijn omzwervingen door Nederland bijna gelogeerd, schreef hij in zijn Natuurdagboek uit die jaren. Toen huisden in dit pand nog geen notarissen en ondernemers ; het was een nog niet witgepleisterd hotel, Hôtel Nieuw Bellevue geheten, en daar kon men voor slechts vijf gulden inclusief vol pension een van de vierentwintig kamers reserveren.

Het is tamelijk verwonderlijk dat Nescio, door de VVV naar het hotel aan de Zijpendaalseweg gedirigeerd, niet meer woorden wijdt aan de wandeling die hij toch gemaakt moet hebben langs de beek en de koeien in de naar de Witte Villa fraai oplopende weiden. Wel is het begrijpelijk dat, toen bleek dat de hotelkamers aan de voorzijde reeds bezet waren, Nescio en zijn vrouw 0s geen genoegen namen met een kamer aan de achterzijde en verderop hun intrek namen in Hôtel De Harmonie. Deze bevond zich in het rijtje neoclassicistische Fromberghuizen aan het Willemsplein, een plein dat er in Nescio’s beschrijving nogal bekaaid afkomt. De Duitsers hadden er in de oorlog natuurlijk behoorlijk huisgehouden, Café Restaurant Royal dat met zijn brede zonneschermen het plein beheerste bestond niet meer en de hertenbok van de Sonsbeek Beeldententoonstelling van 1952 was nog net niet in de geest van Johnny van Doorn vanuit het park naar het lager gelegen deel van de stad ontsnapt om voor de deur van het hotel tot de Bok van Pompon (de beeldhouwer) te verbronzen.

nescio (2)

Ook kon Nescio niet weten dat hij als een van de eersten van Nederland (wat zeg ik: van de wereld) een ritje had kunnen maken met de Arnhemse trolleybus die een paar dagen eerder, op 5 september 1949 om precies te zijn, hier zijn allereerste rit had gemaakt en praktisch voor de deur van zijn hotel stopte. Als ‘niet hinderlijk’ ervaarde hij ze, niet wetend, dat hij zachtzoevend even een ommetje Velp-Oosterbeek had kunnen doen.

Stel dat hij tòch een kamer aan de achterzijde van Bellevue had gehuurd, dan hadden hij en ik , ieder in een ander tijdsgewricht, even naar elkaar kunnen ‘wuiven’, want uit mijn raam kijk ik, nu de bladeren gevallen zijn, direct in de achterkamers van het fraaie pand. Maar nee, er was hier toen nog geen balkon op 5 hoog. Dat was pas zes jaar later. Op de plek waar ik nu woon stond toen nog net een ‘spookvilla’ te verpieteren.

8 September. Donderdag. Fantastische ochtend. Zomernevel. Omtrent 7 uur dreef een dikke witte mist over de IJsel, maar vlak aan den oever was ‘t helder en de stuurhut van een motorschuitje blonk in de zon met waterrimpels. Onder de mist zag je het water blank-blauw. Van den overkant alleen iets van den oprit te zien en iets wat een hoge bruine rotsoever leek, die mij aan een reis naar het Oosten herinnerde. De veerman kwam met een roeischuitje van den overkant als van een verte. De rivier leek heel breed met een verre bergoever aan den overkant. Toen ik even niet keek was de nevel in eens weg en leek alles alledaagsch, onbegrijpelijk dat deze rivier er was geweest. De bergoever was een laag zandig kantje met wat armoedige struiken. Me omkeerend dacht ik: wat is dat voor een groote schaduw? Het waren de kastanjebomen in den nevel. Zonnenstaafjes. Met de bus van half tien naar Deventer, Zutfen en Arnhem vertrokken (….).

In Arnhem aan het hokje van de v.v.v het adres opgekregen van Hôtel Nieuw Bellevue, prachtig tegenover Sonsbeek (grasveld, oplopend naar hoog geboomte, voor in de laagte een lief wit huisje met druipend water (van een watermolen leek ‘t ) er naast. Geen kamer aan de straat vrij. Terecht gekomen in Hôtel de Harmonie, kamer 1, met balkonnetje en gezicht op een pleinachtig iets met bomen en een plantsoen en veel verkeer van bussen enz., niet hinderlijk.

0s in de war van een varkenslapje dat ze in Olst den vorige dag had gegeten, is op het balkon blijven zitten. Ik ben met een ‘touringcar’ van Matzer om 2 uur naar Elten gegaan (na een korte rust). Bij Westervoort over de IJsel met imposant gezicht op de Veluwe. Daar voor het eerst de Rijn gezien.

Door Zevenaar naar Elten over de oue grens. Prachtige rit den Elterberg op, grootsch panorama met

Rijn,Veluwe, Nijmeegsche en Cleefsche heuvels (…..). Om 7 uur in Arnhem terug. Os beter. Gegeten. In den avond in de open deur van het hotel even staan praten met een Engelsch stel.

 

Nescio ( fragment Natuurdagboek)

 

Nescio (pseudoniem van Jan Hendrik Frederik Grönloh (Amsterdam, 1882-Hilversum, 1961) is vooral bekend geworden door De uitvreter , 1911 (‘Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter ‘) ,Titaantjes ,1915 (‘Jongens waren we – maar aardige jongens. Al zeg ik ’t zelf..’ ), Dichtertje, novelle ,1918, Mene tekel, novelle, 1946, Boven het dal en andere verhalen, 1961 en Natuurdagboek, postuum uitgegeven door Nijgh & Van Ditmar (1996). Zijn beschrijvingen in dit boek van het weer, de natuur en het licht in het landschap dat hij te voet of met de bus doorkruiste vormen een belangrijk deel van zijn literaire nalatenschap.

Emma Rijneke was redacteur bij encyclopedie Oosthoek, toneelproductieleider, lid van de kunstredactie van de STA, mede-auteur van Toppers, boven de winkels in de Arnhemse binnenstad en schrijft een column voor de site van de Burgemeesterswijk Arnhem.

‘Prijs’. Door Emma Rijneke.

Geplaatst door op 12:21 in Arnhem in de literatuur | 0 Reacties

Gisteren (16 december 2014) werd aan de dichter Anneke Brassinga de prestigieuze P.C.Hooftprijs toegekend. Een oeuvreprijs waarmee zij zich in het gezelschap bevindt van dichters als Rutger Kopland, Eva Gerlach, Remco Campert, Gerrit Kouwenaar en – langer gelden- Leo Vroman, Gerrit Achterberg en J.C Bloem.
‘Geen idee dat ik een oeuvre had’, was één van haar eerste reacties, waaruit blijkt dat het eindpunt van haar dichterschap nog lang niet in zicht is.

Maar waar begon het allemaal, in 1948?

In de jaren ’90 ontving ik een aardige brief van Anneke Brassinga, nadat ik haar verzocht had een gedicht te mogen gebruiken voor een TV-film over Arnhem, aan de hand van literaire teksten. Hierin legde zij me uit waarom ze het bewuste gedicht ‘Warnsborn’  had genoemd: haar geboortehuis lag op de rand van het landgoed Warnsborn aan de Kemperbergerweg 415, vlak bij het monument van Clement van Maasdijk, maar dan iets hogerop. Maar dat niet alleen. Want nadat zij op eenjarige leeftijd met haar familie naar de Hoogkamp was verhuisd ondernamen zij bijna elk weekend een nostalgische wandeling naar het oude huis. Van binnen heeft ze het huis echter nooit meer gezien; ‘Geboortegraf’ noemt ze het daarom, de tweede verwijzing naar de titel van het gedicht. Maar het Engelse woord ‘born’ zegt ook iets over het feit dat ze daar geboren is.

geboortehuis Anneke BrassingaHet huis is vanaf de weg nauwelijks te zien. Zij stuurde met de brief een foto mee waarop heel vaag door het geboomte het pannendak uit het gedicht te zien is .

 

 

 

 

 

Warnsborn

 

Kan ik ter wereld zijn gekomen

in deze zee van bomen? Een raam

tussen de takken, pannendak

rijst onpeilbaar hoog ten hemel,

omkruind. Geen tuin; bos

kruipt waar ik niet gaan kan.

 

Laat me verdwijnen. Ik weet niet

meer hoe het was, maak alles tot

het eerst geziene: zon door blad,

op muren , het lonkend pad dat blijft

omzwerven de vensters zonder in-

zicht, overwoekerd geboortegraf

Anneke Brassinga (uit: Aurora 1987)

 

Anneke Brassinga ((Schaarsbergen, 20 augustus 1948) schrijft naast proza voornamelijk poëzie. Dichtbundels van haar zijn: Aurora (1987)- gedichten ; Huisraad (1998) – gedichten; Wachtwoorden, verzamelde gedichten (2005); Ontij (2010) – gedichten. Zij ontving o.a. ook de VSB Poëzieprijs voor de dichtbundel Verschiet (2002), de Anna Bijns Prijs voor de dichtbundel Timiditeiten ( 2005) en de Constantijn Huygensprijs voor haar hele oeuvre (2008). Haar uitgever is De Bezige Bij.

 

Emma Rijneke
was redacteur bij encyclopedie Oosthoek, toneelproductieleider, lid van de kunstredactie van de STA, mede-auteur van Toppers, boven de winkels in de Arnhemse binnenstad en schrijft een column voor de site van de Burgemeesterswijk Arnhem.

 

Voor publicatie van het gedicht is toestemming verleend door de auteur.

 

 

‘Guilty Pleasures’ door Emma Rijneke

Geplaatst door op 14:57 in Arnhem in de literatuur | 1 reactie

Deze column is eerder gepubliceerd op de website van het Burgemeesterskwartier. We plaatsen hem ter nagedachtenis aan de op 28 november jl. overleden oud-eigenaar van boekhandel Hijman, Wim Dorman.

Als je in een ‘toren’ woont heb je vele uitzichten. (…………) Aan de achterkant kijk ik op het Burgemeestersplein. Op dat plein staat een huis dat ‘Emma’ heet. In plaats van 5 hoog in een flat had ik dààr natuurlijk moeten wonen, maar Wim Dorman, onze vermaarde boekhandelaar die dit pand een tijd bewoonde, was een goede tweede :-). Ook al heeft hij nu een waardige opvolger, toch zal menig Arnhemmer hem nog steeds een beetje missen achter zijn strategisch opgestelde tafeltje in die toen zo sfeervolle boekwinkel. Zonen en dochters die bij Hijman binnenstapten voor een snel cadeau voor een van hun ouders hoefden nooit wanhopig te zoeken. Dorman wist vaak feilloos wie iemands vader of moeder was en wat die mooi en niet mooi vond. Eens bewoog ik me weifelend tussen de kasten op zoek naar een cadeau . Hij drukte me ‘Kapitein Corelli’s mandoline’ van Louis de Bernières in de handen. Ik trok mijn wenkbrauwen op: nooit van gehoord. ‘Ga nou maar in die hoek staan en lees de eerste bladzijde. Ik kijk wel of je moet glimlachen en zo ja, dan moet je het kopen’. Ik las en glimlachte. ‘Kapitein Corelli ’ werd aan veel vrienden geschonken , die mij op hun beurt aanvankelijk fronsend aankeken. Maar daar kwamen ze snel van terug. Als er toentertijd verkiezingen van boekhandelaar van het jaar waren geweest, was Wim Dorman zeker een keer in de prijzen gevallen. tortelduifjesOp een dag gaf hij me het boek ‘Plaats der Ontmoetingen’ , een eigen uitgave van Hijman Boeken ter gelegenheid van hun 75 jarig bestaan in 1994. Door het nu volgende fragment begon ik Wim Dorman even met totaal andere ogen te bekijken. Guilty pleasures geven weliswaar wat extra krullen aan de mensenstaart, maar zo overvloedig..….. ‘Goh’, zei ik , toen ik weer eens op de Grote Oord was – ik schaam me nog steeds voor mijn toenmalige stupiditeit – ‘ik wist niet dat je zo van duiven hield ’. Even keek hij me verbijsterd aan en barstte toen in lachen uit. Pas toen begon het me te dagen….

Inleiding op Wim Dorman (door Thomas Verbogt)

Zo nu en dan doemt in dit boek de naam Wim Dorman op. Daarom voel ik me geroepen een kleine kanttekening te plaatsen. Ik tref Wim Dorman namelijk zelden aan in het winkelgedeelte van zijn zaak. Nu hoeft dat ook niet, maar ik hoor altijd dat hij zo ongelofelijk belezen is en dat hij iedere klant rusteloos het ene uitstekende advies na het andere geeft. Mijn kleine kanttekening valt nu in twee puntjes uiteen.

In mijn bezoeken aan boekhandel Hijman zit geen vast patroon. Ik kom er een paar keer per week. ‘Is Wim er?’ vraag ik aan een van zijn medewerk(st)ers.’Meneer Dorman zit achter’. Het standaard-antwoord . ‘Achter’ is een ander woord voor het kantoor van Wim Dorman, een tamelijk riante ruimte waarvan iedere enthousiaste ondernemer zou watertanden- niet om er kantoor te houden, maar hij zou popelen er meteen een kleine winkel in te beginnen.

Wat doet Wim Dorman in dat kantoor? Hij telt geld. Hij leest een verkeerde krant. En daar drinkt hij een pijpje bier bij. Van Wim Dorman kun je zeggen dat hij ongastvrij is. ‘Ga zitten’, zegt hij. ‘Iets te drinken?’ ‘Doe ook maar een biertje , Wim.’ En? Nog iets interessants gelezen?’ vraagt hij, nadat we onze flesjes even tegen elkaar aan hebben getikt. Ik vertel hem wat ik allemaal gelezen heb, welke boeken me bevielen en welke niet en waarom dat het geval is. Wim Dorman denkt dat ik het niet in de gaten heb, maar ik zie heus wel dat hij af en toe iets noteert. Hij doèt of hij leuke poppetjes op een vel kladpapier tekent, maar ik zie dat hij bijvoorbeeld opschrijft: ‘nieuwe Duras moeilijk. Te veel boeken na coma’. Of: ‘biografie Cleese rommeltje’. Ik merkte het al op: een boekhandelaar hoeft niet per se een belezen man te zijn. Dat brengt me bij punt 2.

Punt 2 begint met de vraag: waar zou Wim Dorman de tijd vandaan halen een boek te lezen? Wim Dorman leidt een indrukwekkend sociaal leven. Hij is een befaamd snookerspeler, de duivensport kent in hem een onbeteugelbaar promotor en zijn collega’s bij de vrijwillige brandweer krijgen zin in een wat daar heet ‘lekkere fik’ op het moment dat Wim Dorman de kleine kazerne binnenkomt. En dan heb ik het nog niet eens over de gezelligheidsavonden van de Jonge Socialisten en de duizenden en duizenden kilo’s oud papier die Wim Dorman de afgelopen vijftien jaar ophaalde ten behoeve van de krachtsportvereniging Hercules. Daarbij is hij ook nog voorzitter van de vinologenvereniging ‘Wijn aan de Rijn’ en als ik zeg dat het hier een hyperactieve vereniging betreft, die twee keer per week lang en intens vergadert, hoef ik niets meer te zeggen. Logisch dat Wim Dorman zich iedere zaterdagmiddag, stipt om vijf uur, met geavanceerde hengel-sportattributen naar de kust spoedt. Ook mensen als Wim Dorman hebben rust nodig. De vraag ‘Wanneer léést Wim Dorman?’ hoeft nu nooit meer gesteld te worden. Wim Dorman leest niet. Hooguit de tekst op de achterkant van de nieuwe Ludlum. (‘Die dekselse Ludlum’ kunnen zijn medewerkers hem dan horen mompelen. En nog een keer: ‘Die dekselse Ludlum, waar haalt hij het toch allemaal vandaan?’) Wim Dorman hóeft ook niet te lezen, want Wim Dorman kent de mens. Ik wijs in dit verband op zijn medewerkers. Daarmee valt elke oorlog te winnen. Wim Dorman heeft die mensen toch maar aangenomen, op eigen kracht. Hulde. Goede jongens, fijne meiden. Verstand van zaken, stimulerende adviezen. Nog nooit verliet ik boekhandel Hijman zonder een of meer boeken. Alles is er namelijk. Wim Dorman weet dat niet, maar alles is er.

Thomas Verbogt*  

*Thomas Verbogt ( Nijmegen , 1952) woonde van 1979 tot 1995 in Arnhem; daarna vestigde hij zich in Amsterdam. Thomas Verbogt schrijft behalve romans ( o.a Onvolledig landschap, 1989 ; Zomerval , 1998; Verdwenen tijd 2009 ) ook toneelstukken en korte verhalen en al ruim dertig jaar columns in o.a De Gelderlander. De beste zijn in 2013 gebundeld in Wat is precies de bedoeling ? In 2010 stond hij op de longlist van de Libris Literatuurprijs. Zijn boek De Verdwijning (1999) deed in Arnhem nogal stof opwaaien omdat er bekende Arnhemmers in te herkennen waren.

Emma Rijneke was redacteur bij encyclopedie Oosthoek, toneelproductieleider, lid van de kunstredactie van de STA, mede-auteur van Toppers, boven de winkels in de Arnhemse binnenstad en schrijft een column voor de site van de Burgemeesterswijk Arnhem.

Voor deze publicatie is toestemming verleend door boekhandel Hijman Ongerijmd. Mocht toch iemand menen rechten te kunnen doen gelden, dan kan deze zich melden bij de schrijver van deze column.

‘Juk’. Door Emma Rijneke.

Geplaatst door op 21:00 in Arnhem in de literatuur | 0 Reacties

arnhem-1813-3Een Frans juk. Hoe zou dat, als het gebleven was, ruim twee eeuwen na dato gevoeld hebben? Van sommige andere jukken kan ik me wel een voorstelling maken, van het Franse slaat mijn fantasie op hol. Hoe dan ook, vandaag 30 november 2014 is het precies tweehonderd en één jaar geleden dat wij Arnhemmers, in 1813 dus, van dat juk bevrijd werden. Door de Pruisen. O.l.v. generaal Von Bülow. Met dank, of misschien ook niet, wie zal het zeggen. Dat ging niet zonder slag of stoot, er werd heel wat gesneuveld op die dag. Is het een Pruis, een Fransman of een Arnhemmer, vraagt men zich tegenwoordig wel eens af als er bij graafwerkzaamheden twee eeuwen oude botten te voorschijn komen. Vreemd trouwens dat de man die ons toch maar van de Fransen verloste, in Arnhem nooit   een straat, laat staan een standbeeld heeft gekregen.. :-).

In het westen des lands ging het er op diezelfde 30 november 1813 heel wat feestelijker aan toe. Daar vloeide die dag geen bloed, maar wapperde de wimpels: in Scheveningen zette Willem van Oranje na jaren weer voet aan eigen wal. Het Huis van Oranje was weer herenigd, het begin van tot nog toe tweehonderd jaar Koninkrijk der Nederlanden.

In het begin van deze eeuw benoemde Nederland zijn eerste officiële Dichter des Vaderlands. Gerrit Komrij beet de spits af en dichtte over Sebrenica, de moord op Fortuyn. Maar er zwierven letterlijk en figuurlijk al eeuwen onofficiële gelegenheidspoëten rond in ons land en daar buiten die historische of recentere nationale gebeurtenissen op rijm zetten. Zelfs op muziek. Of ze zongen het zelf, een soort singer-songwriters avant la lettre. Nu wordt alleen nog in voetbalstadions onze nationale leeuw luidkeels toegezongen. Verder doen we er -op de Dichters des Vaderlands na- het zwijgen toe. Gelukkig maar.

Roelof Hendrik Graadt Jonckers (1805-1866) was zo’n gelegenheidsdichter, een dominee-dichter welteverstaan. Uit Huissen. Hij had zijn vaderland volgens zijn geschriften bovenmatig lief en als er in de omgeving een nationaal feestje te vieren viel, was hij er met zijn pen als de kippen bij. Meefeesten deed hij waarschijnlijk niet. In Arnhem hielden ze in de negentiende eeuw wel van een feestje. En niet zomaar een feestje. De bovenlaag van de bevolking, waaronder regeringsambtenaren en planters uit Nederlands Indië, zaten ook op hun oude dag nog goed in de slappe was en vijftig jaar na de bevrijding van de Fransen was de pracht en praal niet aan te slepen. De gemeenteraad deed ook een duit in het zakje en verzorgde à raison van 1200 gulden de verlichting van Musis Sacrum.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERAOnder klokkengelui en saluutschoten trok op 30 november 1863 een weergaloze optocht door onze stad . Er was een concert voor de burgerij en zelfs de allerarmsten kregen een versnapering. Verder deed het volk hetzelfde als nu op Koningsdag: zaklopen, ezeltje rijden, koekhappen. Roelof Hendrik zat intussen gebogen over zijn lessenaar en bracht ons iets verheffends over deze dag. En in de laatste strofe houdt hij ons een door eerlijkheid verworven welvaart voor waar bepaalde categorieën heden ten dage nog een puntje aan kunnen zuigen:

 

 

AAN ARNHEM

( Herinnering aan het halve eeuwgetijde, 30 November 1813)

De herfstwind heeft het laatste gebladert

Van ‘t hoog geboomte rond gestrooid,

Terwijl de winter kracht vergadert,

Waarmee ze op nieuw de lente tooit.

Zoo zien wij ook in ’t wis’lend leven,

Nu storm, dan weder zonneschijn;

Maar wat God wilde, is waar gebleven:

‘’Hier zal de plaats des vredes zijn!”

 

Hier, waar der bondgenooten benden,

Met onbetoombaar krijgsgeweld,

De poorten stormend binnen renden,

En Frankrijk’s trots werd neêrgeveld;

Hier kon geen grijze tijd verbreken,

Wat weerstand bood aan ’s vijands magt;

En vriend’lijk gaf de vrede een teeken,

Waarmeê hij toovert, als hij lacht.

 

Hoe heerlijk rijzen praalgebouwen,

Waar hooge wal de veste omsloot;

Natuur en kunst doen hier aanschouwen,

Wat beider gunst een menschen bood;

Want vrede kan ook muren slechten,

Doch zet zich op geen puinhoop neer;

Hij handhaaft welvaart bij haar regten,

En geeft, nooit arm, ons altijd meer.

 

Laat Arnhem hierbij niet vergeten,

Wanneer ’t haar welvaart regt beseft,

Wie in de hoogste plaats gezeten,

De ned’rigen van geest verheft.

Dan moge ‘t nog na eeuwen toonen,

Wat eerlijkheid door vlijt verwerft,

En dat God zeeg’nend dààr wil wonen,

Waar dankbaarheid in ’t hart niet sterft.

R.H. Graadt Jonckers*

 *R.H Graadt Jonckers (Heteren 1805-Huissen 1866) schreef o.a. Gedachten bij het einde van het jaar, Nijm. 1837; (met O.G. Heldring) De Veluwe. Eene wandeling, Arnh. 1841; Bato en zijne stad. Ter herinnering aan de komst der Batavieren te Nijmegen, Nijm. 1845; Feestrede op de bevrijding der stad Nijmegen door Prins Maurits, Nijm. 1846; Frederik Hendrik voor twee eeuwen, als bevestiger van Neêrlands staat, Nijm. 1848; Aan Arnhem, 1863, Geld.Volksalmanak Jrg 30.

 

Emma Rijneke
was redacteur bij encyclopedie Oosthoek, toneelproductieleider, lid van de kunstredactie van de STA, mede-auteur van Toppers, boven de winkels in de Arnhemse binnenstad en schrijft een column voor de site van de Burgemeesterswijk Arnhem.

 
Van de redactie: we hebben alle mogelijke moeite gedaan om de rechthebbenden op deze tekst te achterhalen. Als iemand meent rechten te kunnen doen gelden, kan deze zich melden bij boekhandel Hijman Ongerijmd (hermien@hijmanongerijmd.nl).

 

 

‘De oerschreeuw’. Door Emma Rijneke.

Geplaatst door op 15:24 in Arnhem in de literatuur | 0 Reacties

 johnny van doorn           ‘Centra Pats Boem

             zichtbare knal

             wit helt ’t licht

             bolle wit bolle wit bolle wit’

 

Dit was niet de oerschreeuw waarmee Johnny van Doorn op 12 november 1944 , vandaag precies 70 jaar geleden, het licht zag. Niet in Arnhem, maar in het Zonnehuis in Beekbergen. Daar was hij, comfortabel in de buik van zijn moeder- hij wel – tijdens de evacuatie na de Slag om Arnhem terecht gekomen.

Nee, met deze schreeuw ving zijn fameuze Vuurwerkgedicht aan, dat hij vijftien jaar later het Sonsbeekpark in slingerde. Als vuurwerk spoten woordontploffingen zijn mond uit. Hij schreeuwde, siste, krijste en hijgde zijn daardoor onverstaanbare teksten naar het publiek. En dat juichte: ‘meer, meer!’

Thuis op de Sint Peterlaan tussen het dressoir en de schemerlamp had hij het ineens gevoeld: uitbreken moet ik! Weg van hier! En weg van de terreur die school heet. In Mijn kleine hersentjes (Amsterdam 1972) vertelt hij hoe dat gevoel in zijn kamer voor de spiegel tot een uitbarsting kwam: ‘Een mitraillade van klanken schoot uit mijn keel in een moordend ritme…De deur van de achterkamer piepte in de scharnieren. Ik genoot van mijn wilde uiterlijk in de spiegel. Oorlog, sex, vertwijfeling, waanzin.‘ Zijn moeder kwam op het geluid af en mompelde iets over drukke in oorlogstijd geboren kinderen. Waarschijnlijk was het een cocktail van dàt, ADHD wellicht, weedgebruik en weerzin tegen alles dat hem korfde. ’Ga liever wat sporten’ zei ze . ‘Als dàt geen sporten was, wat ik net had gedaan…Ik had iets gedaan waar ik mee verder kon! ’

Johnny the Selfkicker was geboren.

En veel te vroeg gestorven, maar gek genoeg nog niet toen Jules Deelder* dit gedicht schreef.

 

The SelfKicker

Dood
Niets aan te doen

Het was in ’44 vlak

na de slag om Arnhem

toen de Moffen nog

genoeg uit jonge

en oude soldaten

bestaande ss-pant-

serdivisies paraat

hadden om de A-

merikanen klop

te geven die on-

danks de waar-

schuwingen van

de vaderlandse

ondergrondse 0-

vermoedig dacht-

ten die doodskop-

eskaders wel even

plat te kunnen

walsen op weg

naar Berlijn dat

jij uit je ge-

evacueerde moe-

der in Beekbergen

het levenslicht

zag en je ouders

wat meer bonnen

kregen dan de

buren die ook de God-

ganselijke dag

op d’r lui nagels

zaten te kluiven om

de honger te stil-

len & dat terwijl

die hele honger-

winter nog voor

de deur stond

onder het ge-

gier van de bom-

men de fluitende

granaten het

staccato mortier-

vuur de ronkende

Liberators op weg

naar het oosten

misschien dat je

onder invloed

van die kanker-

herrie de kiem

legde voor het vo-

lume van je la-

tere stemgeluid

Electric Goebbels The

Plastic Highbomb

Free Jazz Speaker

& The SelfKicker

(fragment)

 

Jules Deelder 1986

 

*Jules Deelder (Rotterdam 1944) Fragment uit: Een laatste groet, Uitg. Erven Gerard Timmer, eerder gepubliceerd in Bijster, twee-maandelijkse uitgave Bezige Bij, 18e jaargang nr 2 1986.

*Johnny van Doorn (Beekbergen 1944-Amsterdam 1991) Fragment gedicht uit: Een Nieuwe Mongool (1966, De Bezige Bij, als Johnny the Selfkicker); Proza: o.a Mijn kleine hersentjes, 1972, De Bezige Bij; De geest moet waaien, 1977, De Bezige Bij;Gevecht tegen het zuur, 1984, De Bezige Bij;Langzame wals, 1986, De Bezige Bij; Door de weken heen : dagboeken, 1988, De Bezige Bij; De lieve vrede : legendarische momenten 1944-1990, 1990, De Bezige Bij; Verzamelde gedichten (1994, De Bezige Bij); dubbel-CD, 2001 . Johnny van Doorn speelde met Cherry Duyns en Armando in ‘Herenleed’ van de VPRO. Naar hem is een tweejaarlijkse prijs vernoemd die door het Literatuurfestival Wintertuin, Arnhem/Nijmegen wordt uitgereikt. Voor V&D is een plein naar hem vernoemd. Daar staat ook het Johnny van Doornbeeld, gemaakt door Stijn Coetsier.

 

Emma Rijneke
was redacteur bij encyclopedie Oosthoek, toneelproductieleider, lid van de kunstredactie van de STA, mede-auteur van Toppers, boven de winkels in de Arnhemse binnenstad en schrijft een column voor de site van de Burgemeesterswijk Arnhem.

 

Van de redactie: we hebben alle mogelijke moeite gedaan om de rechthebbenden op deze tekst te achterhalen. Als iemand meent rechten te kunnen doen gelden, kan deze zich melden bij boekhandel Hijman Ongerijmd (hermien@hijmanongerijmd.nl).

 

 

 

‘Een rondje om de kerk’. Door Emma Rijneke.

Geplaatst door op 21:59 in Arnhem in de literatuur | 2 reacties

arnhem zwart witAls ik ’s morgens vroeg op vijf hoog in de Burgemeesterswijk mijn gordijnen opentrek en het mist niet, is het eerste waar mijn blik op valt die grote de lucht in stekende stomp. Nee, ik moet eerlijk zijn, het wàs jaren lang een stomp, met een soort koekoeksklok er tegenaan geplakt; nu lijkt hij meer op iets dat een kerk wil zijn en aarzelend en vooral traag uit zijn vierkantige ei kruipt: de Eusebiuskerk, in de middeleeuwen gebouwd, erna geschonden, herrezen en nu voor de zoveelste keer bezig te revalideren.

De vorige keer dat hij in de steigers stond, ergens in de jaren negentig, liepen een cameraman van de Stadsomroep en ik een rondje om die Eusebius , niet op de begane grond op het kale tochtige plein, maar ongeveer 20 meter onder de torenspits.

We waren daar beland via de tegen de voorkant aangeplakte werklift. Onderweg naar boven hadden we de steenhouwers gegroet. Boven stond een gure decemberwind, vooral de handen van de cameraman- ik kon de mijne in mijn zakken stoppen- begonnen al snel gevoelloos te worden. Onder onze voeten kierden wel erg brede spleten tussen de plankiers, maar het kon ons allemaal niet deren, want we mochten met eigen ogen zien en filmen wat in anderhalf boekje beschreven stond en wat in begin jaren zestig tot een enorme Arnhemse rel had geleid: de evenbeelden van Disneyfiguren, op grote hoogte rondom de kerk als waterspuwers aangebracht door de beeldhouwer H.J.Vreeling.

Ze waren er allemaal, Ollie B.Bommel,Tom Poes, Pluto de Hond, Wammes Waggel, Poppeye en de dwergen, uitkijkend over de bochten van de Rijn. En tussen hen in, met brilletje op, prijkt nog steeds, ook als waterspuwer, dominee G.C.Foeken, die zich hevig verzet had tegen wat nu op een hoogte van 70 meter zijn eveneens spuwende buren zijn. Ik hoop dat ze daarboven na ruim vijftig jaar in vrede naast elkaar leven.
In 1963 bemoeide ook Godfried Bomans * zich ermee :

Eusebiustoren Arnhem‘ En nu zitten we met de brokken. Een deel van de Arnhemmers vindt dat het niet te pas komt, een ander deel ziet er geen kwaad in. Laten we de voorstanders het eerst het woord laten. Hun argument is niet mis en luidt, dat de middeleeuwers precies hetzelfde gedaan hebben. Bekijk het snijwerk maar eens van hun koorbanken en de waterspuwers op de daken van hun kathedralen. Grapjasserij anders niet. Wie in de Bossche Sint-Jan aandachtig rondloopt ziet de vreemdste fantasieën en boven op de Notre-Dame van Parijs is het helemaal een dolle kermis. Ja, zeggen de tegenstanders, maar dat waren ‘persoonlijke scheppingen’. Elke beeldhouwer hakte tenminste z’n eigen nachtmerrie uit ’t hem toegewezen blok, terwijl een stenen Donald Duck maar een ruimtelijke kopie van het bekende plaatje is. Dat is geen ‘kunst’ meer.
Ziedaar de argumenten voor en tegen. Op dit niveau gevoerd lijkt me het twistgesprek volkomen uitzichtloos. Het wordt dan een kwestie van smaak en dat is nu juist het onderwerp waarover niet te twisten valt. Kunnen we niet wat dieper graven?

Het gaat er niet om dat die beeldhouwers van vroeger creatief leuk waren, terwijl de figuurtjes op de Sint-Eusebius de pasklaar gemaakte leukheid van een paar tekenaars imiteren. Het gaat erom, dat de leukheid van Mickey Mouse buiten elke religie staat en niet op een kerk thuishoort. Want wie in die oude waterspuwers en pilaarbijters uitsluitend malligheid ziet, vergist zich. Zij waren de tegenpolen van de engelen en heiligen, die in serene rust over de huizen van zo’n middeleeuwse stad keken. Zij ontkenden wat hen bezielde. Het hoge streven, waaruit zo’n kathedraal was opgebouwd,dat spuwden ze letterlijk uit. Zij vormden de satanische keerzijde van de middeleeuwse medaille. Wie deze duivels, griffioenen, chimères, gargouilles, draken en grijnzende bultenaars alleen maar als grapjasserij verstaat begrijpt niet de diabolische achtergrond van deze scherts.’

(fragment Ora pro nobis)

Het is ooit mijn bedoeling geweest bij de STA een film te maken over Arnhem aan de hand van literaire teksten over onze stad. Na boven beschreven opname ging de STA failliet. We hebben dus maar één fragment op kunnen nemen, de rest ligt al jaren in de vorm van papier in mijn la. Misschien kan ik ze weer nieuw leven inblazen?

*Godfried Bomans (1913-1971) was een Nederlandse schrijver, columnist en mediapersoonlijkheid. Bekende werken: De memoires of gedenkschriften van Mr. P(ieter) Bas (1936), Erik of het klein insectenboek (1939). Hij genoot ook bekendheid door zijn strip Pa Pinkelman en Tante Pollewop in de Volkskrant en door zijn vertaling van Dickens’ Pickwickpapers (1952). Landelijke bekendheid verwierf hij door zijn optreden in radio-en Tv-programma’s, zoals Kopstukken , Bomans in triplo en Groeten van Rottumerplaat (1971).

Emma Rijneke
was redacteur bij encyclopedie Oosthoek, toneelproductieleider, lid van de kunstredactie van de STA, mede-auteur van Toppers, boven de winkels in de Arnhemse binnenstad en schrijft een column voor de site van de Burgemeesterswijk Arnhem.

 

 

Van de redactie: we hebben alle mogelijke moeite gedaan om de rechthebbenden op deze tekst te achterhalen. Als iemand meent rechten te kunnen doen gelden, kan deze zich melden bij boekhandel Hijman Ongerijmd (hermien@hijmanongerijmd.nl).